maandag 1 mei 2023

(2) The Chaos - Anno Dijkstra - Kunst op het domein van UPC Duffel

Ik ben gewoon heel erg boos. 

Ik zeg het al huilend. Ik zit in een groepssessie beeldende therapie. We knutselen vandaag rond het thema ‘in beweging’. Ik heb een uur lang verwoed vormen geknipt uit gekleurd papier en daar woorden opgeschreven, zoals nu, misschien en voel. Geen idee wat ik aan het doen ben, maar ver-woed is het juiste woord: de boosheid, de woede ontsnapt via het potlood uit mijn lijf. Dat is blijkbaar niet genoeg dus komen er ook tranen. Ik weet geen raad met mijn boosheid en het geknutsel maakt me gek. Ik verlaat gefrustreerd de sessie. 

Ik las ergens dat de emotie ‘boosheid’ moeilijk is voor veel vrouwen. Mannen mogen gerust eens boos zijn: ach ja, je kent hem, hij ontploft al eens of laat hem maar even razen. Een boze vrouw? Dat is meteen een bitch, een zot wijf, een furie. Mogen meisjes eigenlijk boos zijn? Mag ik van mezelf boos zijn? 

Ik weet niet wat er gebeurde tijdens die sessie. Ik weet ook niet wat er gebeurde voor die sessie, ik weet niet waarom ik boos was of waar die boosheid vandaan kwam. Er is weinig dat ik weet deze dagen. Omarm dat niet-weten, zei de psychiater. Dapper probeer ik dat te doen, maar ik heb eerlijk gezegd geen idee. Hoe dan? 

Na het eten trillen mijn handen nog steeds. Buiten is het opgeklaard dus ik besluit een avondwandeling te maken. Misschien dat ik de boosheid kan wegwandelen of laten uitwaaien. Ik ben nog maar twintig stappen ver en ik voel de boosheid weer razen. 

Dat stomme kunstwerk hier ook. 
Wat is dat nu toch?
Wat doet dat ding hier? 
Wat is dat grijze balk-achtige ding? 
Wie zijn idee was dat eigenlijk? 
Wat dacht die kunstenaar te vertellen misschien?
Moet het zo moeilijk, ja? 



Ik denk terug aan professor Willem Elias die me tijdens mijn studies vertelde over zijn fascinatie voor kunstwerken die voor sommige mensen zó intens zijn, dat ze de kunstwerken zelf aanvallen, vandaliseren. Het is toch ongelofelijk, zei hij met zijn waterige blik boven zijn brilletje, dat kunst zoiets vermag, dat kunst zoveel kan doen met een mens dat hij alle redelijkheid verliest. 

Het verwarde me als prille twintiger. Ik wist al dat kunst voor mij meer mocht zijn dan een aangenaam esthetisch tafereeltje, maar mag kunst zover gaan? En welke verantwoordelijkheid heb je dan als kunstenaar? Interessante vragen, vond de professor, waarop hij vrolijk verder ging met zijn les zonder een antwoord te geven. 

Op het domein van UPC Duffel zijn weinig kunstwerken meteen leesbaar. Maar dit werk? Dit werk enerveert me. Het is te groot. Het is potsierlijk. Het is iets dat ik zou moeten herkennen vermoed ik. Iets dat wordt uitvergroot? In een vreemd materiaal werd nagemaakt? 

Ik wandel acht kilometer langs de Nete heen en weer. Voor ik terug aan de afdeling ben, passeer ik het ding nog eens. Ik zucht. Ik moet het weten, dus eenmaal op mijn kamer klap ik mijn computer open en zoek het op. 

The Chaos
Anno Dijkstra
2018
Acrylaat hars, Pu schuim en hout

De Nederlandse kunstenaar Anno Dijkstra toont de afgebroken arm van een kermisattractie, geabstraheerd en het aantal stoeltjes gereduceerd tot één. De kermisattractie is een overdrachtelijk beeld. Onze maatschappij biedt spektakel en prikkels. Maar ’Van te veel spektakel wankelt men allicht’.  Deze beroemde zin van de dichter/kunstenaar Lucebert, geeft scherp aan dat een teveel aan prikkels een keerzijde heeft. Stevig vastgeklemd in de rubberen banden van stoeltjes, wanen we ons veilig. Echter, in de enorme vermaakmachines met hun grote metalen armen, gemaakt door onszelf, lijkt de menselijke maat zoek. Ze laten zien hoe grotere maatschappelijke en biologische krachten kunnen doorwerken in een individu en deze in haar greep houden.


Daar was ik nooit zelf achter gekomen: de arm van een kermisattractie. 

Zo voelt het inderdaad. Alsof ik niet gewoon uit het leven werd gekatapulteerd; maar alsof ik in een bakje zat, me daar veilig waande, en dan met een stuk van dat leven zelf, werd losgerukt en ergens op onbekend terrein landde. 

Ik kan recht krabbelen en een volgend bakje nemen en weer voor een paar rondjes opstappen. Of ik kan dat niet doen. Ik kan een paar stappen achteruit zetten en naar de attractie kijken: wat verwacht ik eigenlijk van het leven? Kicks en plezier? Schoonheid? Amusement? Afleiding? Is dit de attractie die ik wil? 

Een ritje met de rups misschien? Nee, ik ben bang in het donker.
De botsauto’s? Mijn hemel, ik heb wel genoeg gebotst de laatste maanden en ik ben een zeer slechte chauffeur, dat weet iedereen.
Het spiegelpaleis? Kei hard tegen een glasraam aanlopen, ik zie mezelf met een bloedneus en een dikke buil op mijn hoofd vergeefs tasten naar de uitgang.
Het reuzenrad? Dat is pas een hoogte om van te vallen en zijn die bakjes wel veilig? 

Hier ligt het dan, het kapotte onderdeel. Waar dient het nog voor? 
Hier lig ik dan, welke functie heb ik nog? 

De volgende dagen ben ik milder gestemd. Ik voel me leeg na die onverwachte boosheid. Ik ben hol vanbinnen. Ik wandel weer langs het kunstwerk en mijn ergernis is verdwenen. Het beeld is nu geruststellend: dit kan alvast niet meer gebeuren. Ik ga alvast niet meer in die attractie, ik ga me niet nog eens zo hardhandig laten wegslingeren, met bakje en al. 

Ik heb geen idee wat me dan wel te doen staat, ik dwaal verdwaasd rond op de kermis van het leven.
Omarm het niet-weten, zei de psychiater. 


***

Dit is het tweede artikel in een reeks over kunst op het domein van UPC Duffel. 

donderdag 27 april 2023

(1) Restpaviljoen - Els Vanden Meersch - Kunst op het domein van UPC Duffel


Restpaviljoen is opgebouwd uit recuperatiemateriaal van een intussen afgebroken paviljoen van het UPC Duffel. Het is een  voorstelling van een sanitaire ruimte uit de ‘oude’ psychiatrie. Het gebrek aan privacy wordt sterk benadrukt: de wastafels staan dicht bij elkaar, de halve bol in het plafond weerspiegelt alles, zelfs de muren zijn transparant. De kunstenares toont niet enkel een beeld uit het verleden, ze roept ook actuele vragen op over zorg en privacy.

https://www.upcduffel.be/kunstcollectie/restpaviljoen


***

Dit kunstwerk is een klein gebouw. Het is transparant en tegelijkertijd gesloten. Op de website van de kunstenaar zie ik dat ze vaak werkt vanuit architectuur. Ik lees het volgende: Gebouwen weerspiegelen existentieel sociaal gedrag; ze bevatten zowel bottom-up als top-down sociale activiteiten en structuren. Het geeft me te denken. Is dat zo, stuurt een gebouw het gedrag? En is dat dan een goede of een spijtige zaak? 

Mijn lief Hannes zei me afgelopen zondag bij het afscheid na een weekend thuis, dat het woord ‘ziekenhuis’ bij hem wringt. 'Maar dat is het ook,' was mijn reactie, 'het ís een ziekenhuis!'. Geen psychiatrisch ziekenhuis zoals dit kunstwerk oproept, gelukkig maar. Ik heb een eigen kamer, mijn eigen kleine badkamer. Ik heb een gemakkelijke stoel en een bureau om aan te schrijven. Ik heb een verwarming die ik zelf aan en uit kan zetten, een raam dat ik kan openen en weer sluiten. 

Dit kunstwerk roept het beeld op van een oud ziekenhuis met patiënten in witte, vale gewaden, met een bleke huid en een trage pas, iedereen met dezelfde lege blik. Moet ik nu dankbaar zijn dat dit niet meer de realiteit is, wil dit kunstwerk patiënten troosten door hen te laten zien hoe het vroeger zoveel slechter was? Werkt het zo? 

Een vriendin is op bezoek en we lopen over het domein. Zo is het dus niet meer, zeg ik haar terwijl ik naar het kunstwerk wijs. Maar ik vertel haar ook:  ik heb geen sleutel.
Er zit geen slot op mijn kamer. 
De deur van mijn badkamer kan niet op slot.
De voordeur van het gebouw zit altijd op slot.
Je kan altijd vragen om naar buiten te gaan, dat vinden de hulpverleners meestal zelfs positief. 

Vaak gaan nieuwe levensfases samen met nieuwe sleutels. De sleutel van een nieuw huis. De sleutel van het het huis van een nieuw lief. De sleutel van een nieuwe fiets of een nieuwe auto. De sleutel van een nieuw kantoor bij een nieuwe job. 

Ik draag mijn sleutelbos niet langer bij me, dat heeft toch geen zin. 

Alleen als ik naar huis ga, voor een paar uren of voor een nacht, neem ik mijn sleutels. Ik klem mijn handen eromheen als ik op de trein zit, als ik naar huis wandel, want bijna, bijna. 

Ik begrijp het: een psychiatrische afdeling moet mensen beschermen tegen zichzelf. Sleutels zijn in handen van sommige patiënten gevaarlijk, vooral voor henzelf. Maar ik vind het lastig. Ik kom na het weekend aan de voordeur en haat de seconden dat ik moet wachten om binnen te mogen. Ik loop de trap op, de gang in en moet de neiging onderdrukken om  in de zakken van mijn jas mijn sleutel te zoeken, of zo’n kaartje, zoals in hotels. Nee, de deur van mijn kamer is gewoon los. 

Ik heb één sleutel gekregen: van een kast. Het is een klein sleuteltje van niets. Ik kan in de kast persoonlijke spullen opbergen. Dat doe ik meestal niet. Wat heb ik van waarde? 

Ik heb zelf gekozen voor de opname, voor dit ziekenhuis. Dit kunstwerk confronteert me met de realiteit. Veel meer dan het verschil met vroeger, zie ik de gelijkenis met vandaag: een ziekenhuis met deuren die op slot zijn en hulpverleners die er altijd kunnen zijn. De rij van oude lavabo’s in het kunstwerk, de rij van kamers met kleine badkamers van nu. Op de afdeling waar ik verblijf, zijn er drie leefgroepen die elk een eigen leefruimte hebben: een keuken, een eettafel en een salon. Alles is netjes en functioneel, het lijkt in niets op de psychiatrie van vroeger. Je zou kunnen denken dat het het interieur is van een jeugdherberg of een vakantiecentrum. 

Maar dan heb je de patiënten nog niet gezien. Niet in witte gewaden zoals ooit, wel met een lege blik en schuifelende pas. Misschien zijn het de mensen, en niet het gebouw, die deze plek tot een ziekenhuis maken. Misschien kan het gebouw wel veranderen, verbeteren. Maar de patiënten niet.
Het is een ziekenhuis, wij zijn ziek. 

Plots weet ik ook waarom het voor mij net wél belangrijk is om het woord 'ziekenhuis' te gebruiken. Dat klinkt tijdelijk. Niemand blijft eeuwig in een ziekenhuis. Ik ga terug. Ik word beter en ik ga naar een huis met een sleutel, naar een wc die op slot kan. Het zal misschien nog even duren, maar ik ga terug. 


***

Dit is een eerste artikel in een reeks over kunst op het domein van UPC Duffel. Je leest hier waarom ik hierover wil schrijven. 

 

Kunst op het domein UPC Duffel - intro

Sinds begin april verblijf ik in het Universitair Psychiatrisch Centrum Duffel, op een afdeling die gespecialiseerd is in de behandeling van depressie.

Deze afdeling ligt op een groot domein met allerlei gebouwen met verschillende functies: een polikliniek, een algemene opname-afdeling voor psychiatrische patiënten, een groot logistiek gebouw, verschillende gebouwen met leefgemeenschappen, gespecialiseerde afdelingen etc. Het is een groene omgeving met veel bankjes, een vijver, sportfaciliteiten en … kunst.

Het UPC heeft een lange traditie in de relatie tussen kunst en psychiatrie. Je vindt op het domein dus verschillende kunstwerken en installaties, de ene al opvallender dan de andere. Er is ook een triënnale (in 2022 was de laatste editie) en zo blijft de vaste kunstcollectie van hedendaagse kunstenaars groeien.

Op de website van UPC Duffel wordt verduidelijkt waarom er wordt ingezet op actuele kunst:

In de eerste plaats helpt kunst mee het taboe rond psychiatrie te doorbreken. De kunstprojecten hebben een beeldvormingsfunctie en beogen de destigmatisering van psychiatrie en psychiatrische aandoeningen.

Als tweede doelstelling zien we kunst als onderdeel van de helende omgeving die de campus wil zijn. De aanwezige kunst draagt bij tot het therapeutisch proces, bevordert het contact, de dialoog en de integratie van de patiënt.

Tenslotte gebruiken we kunst als taal om over psychiatrische en psychologische problemen te spreken.


Ik vind dat drie steengoede redenen.

Als patiënt heb ik vooralsnog de ervaring dat er weinig wordt gedaan met deze kunstwerken.
Op de afdeling verwezen de hulpverleners me door naar het onthaal. Aan het onthaal gaf men mij een duidelijk plannetje met een overzicht van het domein en de kunstwerken. Maar een brochure was niet voorhanden. Op de website vind ik wel een toelichting bij de werken.

Dan doe ik het zelf. Dat bedacht ik toen ik tijdens mijn vele wandelingen en looptoertjes de kunstwerken passeerde. Ik ga zelf met deze kunstwerken aan de slag, ik ga schrijven wat ze met me doen of niet doen, ik ga opzoeken wie de kunstenaars zijn.

Misschien is het goed voor mijn therapeutisch proces. Misschien helpt het mij in mijn zoektocht naar een taal, naar de juiste woorden om te spreken over wat ik ervaar. Misschien helpt het jou, als lezer, om een ander beeld op te bouwen van psychiatrie, weg van clichés of onnodige taboes.

Kunst helpt, kunst heelt.
Dat is zo’n straffe bewering dat het de moeite waard is om verder te onderzoeken.


Campagnebeeld Triënnale 2022: VERBINDING (verbroken) / (dis)CONNECTED 
werk van Maen Florin



In deze reeks: 

maandag 17 april 2023

Boekentip: Waarom we bang zijn - Bram Vervliet




Ik weet niet meer hoe dit boek van Bram Vervliet op mijn radar kwam. En misschien is het gek om middenin een depressie een boek te lezen over angst en depressie. Dit boek is echter helemaal geen zelfhulpboek, maar een staaltje van sterke wetenschapspopularisering. Die afstand tot het onderwerp vond ik op dit moment erg fijn, ik moest eens niet over mijn eigen stemmingen reflecteren.

Het is een non-fictie boek zoals ik het graag lees: een wetenschapper vat heel veel kennis samen in begrijpbare taal, bovendien met een goed opgebouwd verhaal en wat humor. Het ietwat belerende toontje (dat zal ik je nu eens uitleggen…) nam ik voor lief.

De eerste hoofdstukken vond ik boeiend: wat is angst precies? Ik heb veel geleerd, ik heb er een schrift bijgenomen omdat ik nota’s wou maken. Het boek geeft veel voorbeelden van allerlei experimenten bij mensen en dieren die inzicht geven over hoe angst ontstaat en wat er net gebeurt wanneer je bang wordt. Als er iets wordt verteld over angstpatiënten (hun angst is zo groot en intens dat normaal functioneren niet meer lukt), dan is dat vol mededogen, dat ontroerde me soms. 

Het hoofdstuk over metaforen was verrassend en uiterst interessant. Het gaat over hoe metaforen angst (of andere gevoelens) in de hand kunnen werken. Een citaat:


Misschien is dit het beste advies dat ik je kan geven: als je een metafoor opmerkt, zoek er dan zelf een andere. Eentje die een andere kant belicht. En ga na wat die met je doet - hoe je anders gaat denken over het probleem, hoe je misschien andere oplossingen begint te zien. Zo heeft de Britse cancer society tien jaar geleden beslist om de beeldspraak 'strijd tegen kanker' te laten vallen omdat ze patiënten stigmatiseert die uitbehandeld zijn en het gevecht 'verloren hebben'. In plaats daarvan stellen ze de metafoor van een reis voor. Zo stond in het overlijdensbericht van acteur Roger Rees: He passed away... at his home in New York City, after a brief journey with cancer. Geen battle, geen strijd, gewoon: een reis. Dit opent nieuwe mogelijkheden om een kankerpatiënt bij te staan, meer dan het schouder aan schouder vechten tot je erbij neervalt. Een reis is anders: je kan samen uit het raam kijken en het leven overschouwen, samen waardevolle momenten koesteren. Voel je wat een metafoor kan doen?


Woorden doen ertoe, dat is een van mijn lijfspreuken. Zeker wanneer het over moeilijke onderwerpen gaat. Het is niet eenvoudig om mijn depressie te zien als een reis, het wringt, ik krijg het beeld van een monster of de donkere diepte niet zomaar uit mijn hoofd. Als gedachte-oefening wil ik het toch echt proberen, om er zelf zo naar te kijken en er zo over te spreken.

Bij het slothoofdstuk is de insteek erg sociologisch. Ik had al langer een wrang gevoel bij de meningen van Dirk De Wachter en Paul Verhaege. Ik heb enkel interviews en korte stukken van hen gelezen, een boek trok me niet aan. Ik wist niet goed waarom en ik vertrek ongetwijfeld vanuit enkele vooroordelen over hun werk. Maar dit boek gaf me een reden om deze onheilspredikers niet zomaar te volgen, om niet zomaar mee te gaan in het verhaal dat we onze eigen ondergang aan het creëren zijn, dat we steeds banger worden ondanks onze welvaart, dat onze manier van samenleven gedoemd is. Er zijn namelijk heel wat studies die een ander beeld laten zien van onze maatschappij. Spoiler: het is helemaal niet zo dat er steeds meer diagnoses zijn rond depressie en angst. De toename kan verklaard worden doordat we gewoon met meer mensen zijn en doordat we ouder worden (en deze klachten zich ook typisch op latere leeftijd manifesteren, vergeet niet dat onze levensverwachting de voorbije jaren echt spectaculair gestegen is). Daarover stond onlangs ook een artikel in DeMorgen, dat een goede samenvatting gaf die ingaat tegen het beeld dat we ons allemaal kapot werken en elkaar depressies injagen. Dat artikel overlapt wat met dit boek, maar houdt ook andere zaken zoals anorexia tegen het licht. Als je het artikel interessant vindt, moet je zeker dit boek lezen.

Dit boek doet me nog meer geloven dat het anders zou kunnen zijn, met minder dramatische cijfers. Geloof me, die blik is niet makkelijk want ik heb me pijnlijk en vol frustratie door een paar wachtlijsten heen moeten wringen om goede mentale zorg te kunnen krijgen, dus het lijkt alsof er inderdaad veel meer mensen met een ernstige depressie of andere aandoeningen zijn.

Vervliet gaat in zijn boek een stapje verder door ook naar een andere belangrijke factor te kijken, namelijk hoe mensen kijken naar hun eigen toekomst en die van de wereld. Zijn ze hoopvol of pessimistisch? Hiervoor haalt hij inzichten uit een boek van Marc Elchardus (insert plotse heimwee naar de hoorcolleges op de VUB…) En wat blijkt, die positieve of negatieve bril waarmee we naar de toekomst kijken is sterk gerelateerd aan aan angst- en depressieklachten. Optimisme en geloof in maatschappelijke vooruitgang kunnen ons net beschermen tegen mentale klachten. Dus, zo concludeert Vervliet, die onheilsverhalen zijn niet zo onschuldig, ze dragen bij aan maatschappelijk pessimisme en kunnen individuele gevoelens van angst en depressie net in de hand werken…

Wow.
Dat moet ik even laten bezinken.
Het zit wat ingewikkelder in elkaar dan hoe ik het nu samenvat, maar het is echt een verrassend standpunt.   

Ik hoop vooral dat de discussie verder gaat en dat we het doembeeld van een samenleving vol depressievelingen in vraag blijven stellen. Zelfs al zit ik nu middenin in de realiteit van een ernstige stemmingsstoornis. Zeker nu.






Ps: ik heb enorm veel audioboeken geluisterd de voorbije maanden, vaak tijdens wandelingen, deze dagen ook gewoon liggend op bed of in bad. Dit is het eerste boek dat ik terug las op e-reader. Het eerste e-boek ook dat ik leende via de bib trouwens, nu de Antwerpse bibliotheken eindelijk meedoen met het e-boekenproject. Ik vond het boek echter zo goed dat ik het ook in mijn boekenkast wil hebben, om af en toe naar terug te grijpen. 
En dat ik terug kan lezen op mijn reis, stelt me vooral gerust.

zondag 5 maart 2023

Mijn depressie is geen burn-out. En dat doet ertoe.

Een burn-out en een depressie delen een aantal symptomen. De totale vermoeidheid, het gevoel helemaal 'vast' te zitten, emotionele én fysieke uitputting, een brein dat gewoon niet meer werkt, concentratieverlies, een overgevoelig zenuwstelsel... 

Toch gaat het om twee heel verschillende aandoeningen. Ik wil het daar even over hebben, vanuit mijn ervaringen, aanvullend met wat ik eerder schreef over mijn depressie.


Mijn depressie is niet werk-gerelateerd. 

Ik werk al vele vele jaren voor publiq. Ik heb de organisatie mee zien en doen groeien. Het is een ontzettend warme en menselijke organisatie. De laatste jaren heb ik vanuit mijn directie-rol ook mee mogen nadenken en sturen hoe we omgaan met de straffe ambities en steeds nieuwe kansen. Het werkritme ligt hoog, dat is zeker zo. Als werkgever hebben we absoluut de plicht om een omgeving te creëren waarin collega's zich goed voelen. Niet alleen omdat zo het beste naar boven komt (en dat is dan weer goed voor de organisatie), maar ook gewoon vanuit een puur menselijk standpunt. We besteden vele uren op het werk, we engageren ons ontzettend voor de missie van onze organisatie. In ruil mogen collega's groei, uitdaging en een fijne werksfeer verwachten. 
De klassieke burn-out definitie (gek om over 'klassiek' te bespreken aangezien het een relatief nieuw begrip is), legt een sterke link met stresssituaties op het werk. Men voelt zich uitgeput, overprikkeld en voelt vaak onverschilligheid, afstand tegenover het werk. Helaas is het vaak zo dat het echt niet goed zit in de werkomgeving: te veel werk, te hoge verwachtingen, spanningen tussen collega's, concurrentiedwang, falende leidinggevenden, eeuwige transitieprocessen... We kennen allemaal de hallucinante verhalen. 
Natuurlijk heb ik ook soms stress van het werk. Ook het pendelen kost mij veel energie, dat is geen geheim. En ik heb ook al wel gedacht dat een totaal nieuwe omgeving mij een energieboost zou kunnen geven en een fijne uitdaging zou zijn. Maar ik werk niet tegen mijn zin, ik sta helemaal achter de missie van de organisatie, ik vind het ontzettend fijn samenwerken met mijn collega's (ze zijn echt geweldig <3), en ook al is ook onze organisatie constant in verandering, het lukt ons (meestal) om hier op een veerkrachtige manier mee om te gaan. 
Mijn werk bij publiq heeft dus echt bijzonder weinig te maken met mijn situatie nu. Soms wordt die conclusie te snel getrokken. Wanneer werkcontacten horen dat ik 'uit' ben, wordt al gauw ingevuld dat er wéér iemand geveld is door een burn-out. Dat is vervelend, voor mij, maar ook voor mijn geliefde werkgever die verdacht wordt. 

Herstel bij depressie 

Kortweg is een burn-out een energiestoornis en een depressie een stemmingsstoornis. Er zijn dus wat gelijkaardige symptomen maar de oorzaken en vooral de 'oplossingen' zijn heel verschillend. 
Bij een burn-out komt het er op aan de energiebalans te herstellen. Dat is meestal niet eenvoudig omdat je niet alles onder controle hebt. Je kan  heel hard werken aan jezelf door terug te leren ontspannen, door te ontkoppelen, door te onderzoeken waar je grenzen liggen en te leren deze te bewaken, .. Maar als er niets wijzigt in je werkomgeving, is herstel vaak heel moeilijk. Het doet me verdriet wanneer ik iemand zie trappelen om het hoofd boven water te houden, om het overzicht te houden. Ik leef mee, ik voel me mee machteloos als ik de verhalen over toxische werkomgevingen hoor, terwijl mijn vriend of kennis ijverig mindfulness traint en boeken leest over hoe grenzen te bewaken. 

Mij staat er iets anders te doen. Ik moet op een of andere manier iets doen aan mijn stemming. Er is een zwaarte, een somberte, een schaduw, een donkere krater die me angstig maakt. Er is de laatste weken met hulpverleners al vaak gesproken over de genetische component, mijn vader kende ook depressieve periodes. Ik vind het verschrikkelijk dat ik er niet met hem over kan praten. Ook spreken we over de biochemische kant van het verhaal: medicatie kan ondersteunend werken. Het is echt een zoektocht welke medicatie goed werkt, want dat is dus zeer individueel, maar de resultaten zijn vaak hoopgevend.

Hoop. 
Hoop is belangrijk maar momenteel moeilijk. 
Ik trappel ter plaatse, ik zie weinig perspectief. 

Een therapeut vatte mijn woorden samen: je hebt nood aan nabijheid, je wil erkend en gezien worden. 
Dat klopt. Al moet ik er wel met klem bij zeggen dat ik niet geloof dat er daarmee iets echt verandert, dat ik daarmee de depressie kan verslaan. Maar het helpt mij de dagen door. 

En dat delen we, daar zit geen verschil. Voor alle mensen met een psychische kwetsbaarheid doet het deugd om gezien en erkend te worden in hun eigen verhaal. Het is fijn om te voelen dat vrienden, families, collega's, kennissen, ons nabij zijn, los van het label of de diagnose. Dat is wat wij voor elkaar kunnen betekenen en geloof me, dat is heel wat. 


La Rivière - Aristide Maillol - in het immer geweldige Middelheimmuseum waar ik meer dan ooit graag kom. 

zaterdag 18 februari 2023

Maar je ziet er niet depressief uit.

Maar je ziet er niet depressief uit. 

En toch ben ik het. 

Ik ben intussen door de huisarts, de psycholoog en de psychiater gediagnosticeerd met depressie. Voor de tweede keer, zowel in de herfst en winter van 2021 en 2022 werd het langzaam zwart. In januari van dit jaar stortte ik opnieuw in, na een lange opmaat de maanden ervoor. Ik werd  gedurende drie weken opgenomen op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis. Dysthemie, noteerde de huisarts op een formulier, chronische depressie. Intussen ben ik weer thuis en zoek ik naar de beste omstandigheden om te herstellen. Het valt niet mee. 

Voor een psychische diagnose wordt er een officieel instrument gebruikt (dat ook wel eens ter discussie staat wegens gedateerd en te weinig holistisch), de DSM-V. Ik haal het aan omdat het mij een duidelijk, helder kader geeft. 

Er is sprake van een depressie als er gedurende een periode van meer dan twee weken vijf of meer van de volgende symptomen aanwezig zijn. 

  • Een sombere stemming
  • Gewichtsverlies of toename (niet te verklaren door andere factoren of een dieet)
  • Verstoord slaappatroon
  • Psychomotorische agitatie of vertraging
  • Vermoeidheid
  • Gevoelens van waardelooshied, schuldgevoel
  • Verminderd vermogen tot nadenken of concentreren. 
  • Herhaalde gedachten aan de dood of suïcide. 


I can tick all the boxes. 

Maar in de lijst staat ook dit symptoom: een duidelijke vermindering van interesse of plezier in (bijna) alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag. 

Het is naast somberte een van de twee kernsymptomen. Ik scoor hier maar ‘half’ op. Want ik sta wel op, ik geraak uit bed (of ja, toch bijna altijd). Ik stuur berichten, ik bedenk een vakantieplan (ik probeer, want mijn brein werkt niet mee), ik spreek af met vrienden (al lukt dat ook maar eens per week ofzo). Ik maak mopjes. Soms ben ik zelfs vrolijk, helemaal in het moment. Ik kreeg vorige week nog de slappe lach. En naast de totale vermoeidheidsdips, kan ik soms uren wandelen of zelfs sporten. Dus nee, ik zie er niet depressief uit. 

Ben ik dan wel depressief genoeg? Ja, want de acht andere symptomen zijn sterk tot zeer sterk aanwezig. Toch wringt het in mijn hoofd. 

Op korte tijd hoorde ik van drie heel verschillende mensen dat ik toch wel heel streng ben voor mezelf. Drie keer overviel me deze opmerking omdat ik naar mijn mening niets had gezegd dat hiertoe aanleiding had gegeven. Terwijl ik dit schrijf, herken ik de strengheid wél. Ik wil op een absurde manier ‘goed’ voldoen aan de symptomenlijst van een depressie. 

Overdrijf ik immers niet? 

Nee, zegt mijn lijf, je overdrijft niet. 

Mijn zenuwstelsel is ontregeld. Mijn zintuigen staan op scherp: geuren, smaken en vooral geluiden. Ik kom niet meer buiten zonder mijn noise-cancelling hoofdtelefoon. Ik ben ontzettend schrikachtig. Ik ben me gisteren rot geschrokken van een prot. Dat was erg grappig maar ook heel pijnlijk: het duurde minuten voor mijn lijf uit de fight/flight modus kwam. Voor een prot!
Ik durf absoluut niet fietsen in de stad. Ik dronk een theetje op café met een vriendin en liep door de drukke stad naar huis (sinds wanneer is die verlichting zo fel overal?) en dat heb ik echt moeten bekopen de uren daarna.
Mijn nek, schouders en rug zitten helemaal vast. Ik heb stekende pijn op mijn borst, bij moeilijke gesprekken maar soms ook zomaar uit het niets. Of nee, niet uit het niets, uit de zwarte krater die in mijn lijf lijkt te zitten.
Toen ik werd opgenomen in het ziekenhuis had ik ook spasmes, een soort schokken, totaal ongecontroleerde bewegingen. Die schokken zijn er nu soms nog, maar niet meer zo hevig en niet meer continu. Gelukkig, want het was eng om mee te maken en eng om te zien. 

Ik ben niet aan het werk. Een defect brein en een totaal energieverlies maken dat onmogelijk. Het moeder zijn, en het co-ouderschap in het bijzonder, is moeilijk op dit moment. En deze depressie weegt op mijn relaties met de mensen die ik graag zie. 

Dus, ik probeer niet na te denken over dat ene symptoom dat ik niet helemaal bij mezelf herken, ik zal niet proberen om nog beter te voldoen aan de diagnose. Ik zal alles doen om te herstellen, wat een beter woord is dan genezen. Her-stellen, mezelf opnieuw instellen, opstellen. Ik weet nog niet hoe. Ik weet dat het lang zal duren. 


Tot ergens onderweg, 

K. 


PS: Ik heb getwijfeld of ik dit wel zou delen, natuurlijk. Meer voelen, Katelijne, minder in je hoofd. Dus ik voel precies dat ik toch graag wil dat je dit leest en weet. Dat maakt onze gesprekken later misschien makkelijker. Ik hoef niet alles uit te leggen, jij kan zeggen dat je het jammer voor me vindt en dan praten we over je nieuwe job, of over dat gedoe op school bij de jongste of over vakantieplannen. Binnenkort, later, we zien wel. X 



Na mijn verblijf in het ziekenhuis, ging ik de rust zoeken in de polders. Dat lukte niet helemaal, maar deze zonsondergang vond ik wel. 

Foto: Hannes Couvreur 

donderdag 3 november 2022

Nieuw: een podcast.

Want ja, waarom niet? 

Er is een idee, niet echt een plan. 

Voorlopig enkel te beluisteren op Spotify