maandag 25 oktober 2021

Én én.

Het gaat niet vooruit. Ik voel me niet beter. Ik heb nog steeds geen idee wat er nu eigenlijk aan de hand is. Ik zie geen oplossingen. Sinds begin september hang ik in de zetel. Door serieuze concentratieproblemen en een lamlendige vermoeidheid was werken plots onmogelijk.

Ik heb één ding geleerd. Het is soms én én.

Ik vond mezelf heel wat toen ik een aantal jaren geleden zag dat er heel veel grijs was. Ik gaf het zwart/wit denken op en ontdekte de nuances van grijs. Grijs is een veel rijkere kleur, veel dieper dan het vlakke wit of zwart. En gradatie geeft beweging: dan weer lichter, dan weer donkerder. Het was gewoon makkelijker om de wereld in al zijn grijsheid te zien in plaats van het dwingende zwart of wit. Ik gaf mijn eigen eis tot consequentie en duidelijkheid op en omarmde een mildere houding om de dingen en het leven zelf in al zijn tussenkleuren te zien. Niet dat het me altijd lukte, maar ik ging echt anders kijken.

Nu ontdek ik weer iets anders, al strompelend, hakkelend en in slapeloze, onrustige nachten. Soms bestaan zwart en wit gewoon naast elkaar. Iets heel licht staat zomaar plompverloren naast iets heel zwart.

Stel je een idyllische zomeravond voor. Met iemand die je heel leuk vindt, en het is allemaal spannend en prettig en intens en grappig. Dan is er plots, ondanks het zachte briesje, de wijn, de twinkeloogjes, een weergaloze kracht die aan je trekt. Een zwaarte greep me aan de enkels en wijkt niet sinds die zomeravond, al weken niet, wat ik ook probeer.

Ik voel me ellendig, moe en vooral zwaar. En tegelijk voel ik me licht, blij, geliefd, verliefd.

Ik heb gewenst dat deze nieuwe liefde me later was overkomen. Ik zou me door deze donkerte worstelen en er dan ‘klaar’ voor zijn. Een overgang, gradatie, van heel donker naar heel licht. Dat is geen realistische gedachte natuurlijk (het is wat het is, ik kan niet ingrijpen op de tijd) maar ook geen helpende gedachte.

Het is verwarrend om én verliefd én depressief te zijn. Het is gekmakend om het ene moment met mijn meisjes heel hard te lachen met erwtjes die van ons bord springen en het andere moment het moederschap als een uitputtende en zelfs onmogelijke opdracht te zien.

Deze intense gevoelens zijn daar, naast elkaar, in mijn ene hoofd, in het enige lijf dat ik heb. Het maakte me zenuwachtig, onzeker en soms radeloos.

Ik wil de liefde niet uitstellen (als ik dat al zou kunnen). Ik kan de depressie niet snel even oplossen. De enige optie is om deze gelijktijdigheid van iets zwart en iets wit te aanvaarden, zelfs te omarmen.

Ik ben niet naïef. Hij kan me niet helpen, hij kan niets beter maken, hij kan niets voor me oplossen. Maar op een ochtend, toen ik weer wakker werd met loodzware pijnlijke benen en een onrustig lijf, draaide ik me om en zag ik hem, slapend, warm, rustig.

Met hem heb ik nog iets anders om naar te kijken. Het donker wordt niet minder, niet kleiner. Maar er is ook licht, lucht. Dus ik hoef me soms maar even om te draaien.

Het ene moment loop ik verloren in zware gedachten, en wil ik schreeuwen wanneer het nu eindelijk eens ophoudt. Het volgende moment zit ik in een houtgestookt bad onder de volle maan naast hem, zijn ogen twinkelen als nooit tevoren.


Het is én én.
Dat is verwarrend.
Maar het is vooral ook goed.


Ik ben goed omringd: professionele hulp, mijn meisjes die veel meer begrijpen dan ik dacht, familie, geweldige vriendinnen (ik sta ervan te kijken hoeveel ik er wel niet heb!), collega’s die heel begripvol reageren. Ze nemen me mee naar rustige plekken, ze maken lekker eten voor me. Ze zeggen me allemaal dat het goed komt en dat ik het tijd moet geven en dat ik het gewoon maar dag per dag moet bekijken. Ik voel weerstand tegen die clichés maar zij zeggen het, en ik geloof hen.

En hoe moeilijk de dag ook is, ik kan me omdraaien, naar het licht. Het licht is er ook.



 

woensdag 13 oktober 2021

Juno spreekt (afl. 10)



Juno heeft net haar eerste boek uitgelezen. Zachtjes fluisterend de woordjes hakken en plakken, dat kleine vingertje dat aandachtig de lettertjes volgt. Ze komt me even later de korte inhoud vertellen, want ja, jij hebt dat boek niet gelezen hé, mama. 

Wat is ze geweldig. 

Ik noteerde de voorbije maanden nog wel wat fijne uitspraken...

  • Gaan we nog eens poppertjes eten? (poffertjes)
  • De mooitheid, de moeheid, de koudheid
  • Dat is een een verhaal in rijmsels
  • Geef mij de rapser
  • Een grijze eenhoorn bestaat hé. Alle, ik bedoel, die bestaat in verzinning.
  • Ik ben een vlinder! Ik zit nog in mijn konkon.
  • Ik wil in de speeltuin eerst op de kakatrol
  • Nonkel Jonas heeft nog een peterkind
  • Dat is van hellipotter (harry potter dus)
  • Het enige goeie nadeel...
  • Waarom heeft een tractor een combinatie van grote en kleine wielen?
  • Wat is het belangrijkste in de wereld: dat de ziekenhuizen bestaan of dat de brandweer bestaat of dat afval NIET bestaat?
  • Juno, wat is die beker met centen in? O ja, dat is muntwater. 
  • Ik ken de weg op mijn honderd duimpjes!
  • FOTVOLDORIE
  • s-l-aa-p-w-e-l (hakken en plakken, weet je wel...)

En tot slot... 
- Mama, in welk seizoen is de wereld begonnen? 
- Wat een moeilijke vraag, schatteke. 
- Maar wel een goeie vraag hé mama.


maandag 13 september 2021

Kortverhaal: woensdagmiddag

 
Ze moet over vijf minuten aan de schoolpoort staan.

Op woensdag is het maar een halve dag school. Zo zeggen ze het, een halve dag terwijl het in werkelijkheid slechts om 3 uur en 35 minuten gaat. Dat is nog geen kwart dag.

Hij heeft altijd reuzehonger als hij thuiskomt. Vier boterhammen. Vijf soms. Een kom soep en soms vraagt hij om roerei.

Vorige week was hij een kreeft. Ze was er niet op voorzien, die gevaarlijke scharen. Hij at nog sneller dan anders, hield in elke schaar een boterham en nam beurtelings een hap. Soep drinken uit een beker was onmogelijk. Ze had hem uiteindelijk gewoon in de soeppot gezet, en na een tijd hoorde ze hem tevreden tegen het metaal tikken en had ze hem er terug uit genomen. Verder was het een eenvoudige middag geweest. Hij had lang gespeeld in bad en het was best schattig om hem in de woonkamer tussen de blokken te zien kruipen.

De schoolpoort gaat open en haar blik glijdt langs de andere kinderen op de speelplaats. Waar is hij? Oh nee, toch niet die slak? Toch wel. Ze herkent zijn blik. Trots trekt hij een slijmspoor achter zich aan. De kleuterjuf komt op haar toegelopen en overhandigt haar zijn rugzakje. ‘Ik heb zijn fluohesje er ook in gestopt, want nou ja, dat ging niet echt.’ Ze neemt het rugzakje aan en forceert een glimlach.

‘Kom jongen, we gaan naar huis’, zegt ze. Ze weet niet goed wat ze moet doen. Ze wonen op amper honderd meter van de school, maar aan dit tempo zullen ze pas tegen de avond thuis zijn. Voorzichtig tilt ze hem op en haast zich naar huis.

Ze legt wat brood en salade op een bord en zet hem er bovenop. Terwijl ze de eieren bakt, stuurt ze haar echtgenoot een bericht. Hij is een slak vandaag. Er komt niet meteen antwoord.

De eerste keer was hij, net als zij, in paniek geweest. Op de speelplaats trippelde er een duivenjong voor haar voeten. Het was grijs en pluizig, maar niet op een mooie manier. De snavel was vaalroze en het beest staarde haar vanuit zijn diepzwarte kraaloogjes aan. Wat moest dat beest van haar? Ze wandelde richting het klasje van haar zoon, maar het beest bleef maar voor haar voeten lopen. Pas toen hij begon te kirren en te koeren, herkende ze zijn hem. Nee, dacht ze, nee, dit kan niet waar zijn. Ze bleef als bevroren staan tussen de andere ouders en gillende kinderen, radeloos. De juf had haar bij de arm genomen en haar op fluistertoon gezegd dat ze het wel begreep, die reactie van haar, maar dat ze toch echt de situatie vanuit zijn beleving moest bekijken. Haar echtgenoot was vroeger van zijn werk naar huis gekomen en samen staarden ze naar hund uivenjong. Hij fladderde onhandig tegen de terrasdeur. ‘Straks bezeert hij zijn hoofdje nog’, zei ze. ‘Misschien wil hij even naar buiten’, zei hij. Ze opende de deur en het jong wipte door de deuropening en deed zijn gevoeg op de terrastegels, bovenop een krijttekening die ze de vorige dag samen hadden gemaakt. ‘Waarom in godsnaam een duif?’ vroeg hij. ‘Hier was ik niet op voorbereid’, zei zij. Het telefoontje met de huisarts, die hen vertelde dat paniek niet nodig was, had hen niet kunnen geruststellen. Ze hadden een schoendoos gevuld met wat stro dat ze van de buren hadden gekregen. Hun dochter had het ook gehad, een konijn, jaja, ze vonden het een unieke periode. “Geniet ervan want voor je het weet groeien ze eruit.” Ze hadden die nacht geen oog dicht gedaan. En hun zoon? Die lag vredig te slapen in zijn schoendoos.

Hoe lang was dat geleden? Zes maanden, zeven? Ze wist het niet meer. Ze strooit wat peper over de eieren, en bedenkt net op tijd dat ze het zout vandaag maar beter laat staan..

Met de pan in haar hand kijkt ze naar hem.. Wanneer ze het roerei op zijn bord schept, begint hij plots te piepen. Te warm natuurlijk. Ze verzet hem snel op een blaadje sla en schikt het ei aan de andere kant van het bord. 





***

Met dit kortverhaal won ik in september 2021 de tweede prijs bij de verhalenwedstrijd van Limnisa. Ik schreef het al enkele jaren geleden, maar ik ben er aan blijven werken. Het maakt deel uit van een reeks, ik hoop daar eens op door te werken. 

donderdag 29 juli 2021

column - mijn brief

Op mijn datingprofiel bied ik een corona-keuze-menu aan. Scrabbelen of brieven schrijven. Ik zet er ook bij dat ik FWB zoek: friends with books. Mijn zoektocht is niet zonder resultaat. Op een dik jaar tijd schreef ik twee blokken briefpapier vol. Vorige zomer leidde zo’n briefconversatie tot een korte relatie. Maar zijn brieven ontgoochelden me, net als zijn gewoonte om steeds uren te laat te komen. Wachten op zijn brieven kon ik nog net, wachten op zijn levende verschijning viel me zwaarder. Vaak had ik dan net honger, of zin in seks, en meestal beide. 

Dus ik heractiveerde mijn profiel en ik bood me weer aan als brievenschrijver. 

Ik weet intussen hoe het gaat: er is een korte chat en ik voel meteen of er een klik is. Soms geeft een man me na enkele berichten heen en weer zonder schroom zijn adres: dat zijn de beste. De man mag me een vraag stellen, daar schrijf ik dan een antwoord op. Minimaal twee kantjes, meestal vier, en dan de brievenbus in. Dan komt de fase van de spijt. Want ik vergeet hoe ongedurig ik ben. Wat een idee om te kiezen voor deze vorm van slow dating. Vervolgens de fase van de angst. Want ik was uiteraard weer veel te openhartig tegenover die onbekende man. En vervolgens totale opwinding als er een antwoord komt en er een brief in mijn brievenbus zit. Wat overigens niet altijd gebeurt, er zijn brieven onbeantwoord gebleven. 

De laatste man die ik schreef ziet er leuk uit en zijn boekenkast lijkt op de mijne. Ik schreef hem in het holst van de nacht. Hij stuurde me een paar dagen later een bericht: je brief is onderweg. 

Mijn brief? Is zijn brief nu al van mij? Het papier, de envelop, de zegel: allemaal van hem. Toch? Het adres is uiteraard wel het mijne. Misschien is het mijn brief vanaf het moment dat de brief in mijn brievenbus ploft? Ik heb een hele mooie brievenbus trouwens, dat had ik ook vermeld op mijn datingprofiel maar dat lokte vreemde reacties uit.  

Dan is er post. Twaalf kantjes, twee foto’s bij ingesloten. Ik betrap mezelf op het clichébeeld van de vrouw met brief. Ik druk de brief tegen mijn hart. Hij is helemaal van mij. 




zondag 13 juni 2021

Atlas draagt de wereld.


Dit is mijn favoriete plek in het Rivierenhof. 

Het park van mijn jeugd. 
Het park met een plattegrond die op een vogeltje lijkt. 
Het park van verschillende generaties speeltuinen en van eendjes en schapen voeren, toen niemand daar over nadacht. 
Het park van heel veel chirospelletjes. 
Het park van eerste kussen. Van de mini-treintjes en de club van de mannen met hun bootjes op afstandbediening, bestaan die eigenlijk nog? 

En dit jaar, het park van corona wandelingen. 

En nu, het park van lopen. Ook op zondag, wanneer ik veel te vroeg wakker ben en nog voor de andere lopers het park in ren Er is een parcours van tien kilometer, maar ik wijk altijd wel ergens af, omdat het toch altijd een beetje anders mag zijn in het leven 

Ik heb ook een vaste plek, waar ik steeds terecht kom. Ik loop altijd langs Atlas.
Atlas draagt de wereld. 

Meestal voel ik met Atlas mee. Voel ik het gewicht dat ik op mijn schouders draag, ook al is het geen aardbol. Dan probeer ik het gelaat van Atlas te lezen. Is hij vastbesloten, wil hij resoluut dragen, zijn taak vervullen? Of is hij ook moe, verbitterd, voelt hij zich benadeeld, gestraft? Hoe gaat het met hem, hoe gaat het met mij? Weet iemand hoe lang dat dragen nog duurt? 

Maar vandaag niet. Ik ben Atlas niet. Ik draag niet, ik lig. 

Ik zie mezelf, heel klein, op mijn rug op de wereldbol liggen. 
Mijn lichaam mee met de kromming van de aarde. Mijn ogen wijd open. 
Ik lig niet te hard, niet te zacht. Ik lig op de wereld, maar toch in een soort van niets. Het lijkt alsof ik wacht. Rustig wacht. 

Ik bedenk: het is sinds maanden dat ik dit durf: me even neerleggen. Kijken. Wachten. 
Maanden van jagen, mezelf achterna, 
Maanden van liefdespijn, wat een juister woord is dan liefdesverdriet.
Maanden van te veel afwisseling, te snel en te veel pieken en dalen.
En verwarring tijdens het naar boven en weer naar beneden rennen. 

Ik weet dat Atlas er is, dat ik nu even wordt gedragen. En dat dat mag. 
Er is verder weinig veranderd, denk ik. Maar ik kan even liggen. 

Ik vertraag. Ik loop een extra rondje rond Atlas. Ik zie mezelf daar werkelijk liggen, bovenop die bol.

Ik heb tijd.
Ik heb nog adem. 


zondag 30 mei 2021

Vijf jaar missen.

Vijf jaar dood zijn is niet anders dan één jaar dood zijn. Of een maand. Of een dag.
Dit is: voor de dode.
Voor de levende is dat anders.
Voor de levende die de dode mist.
Vijf jaar dood zijn, vijf jaar missen, dat is veel.


Missen wisselt.
Hoe vaak, hoe hard.
De intensiteit, of hoe dens het gevoel, gebald, en dan weer breed uitgesmeerd, in een dunne laag. Op de achtergrond, of knàl, recht in gezichtsveld, het blikveld, het venster om naar de wereld te kijken. Daar is hij dan, ik kan niet om hem heen, als ik dat al zou willen, ik wil natuurlijk helemaal niets, ik wil hem gewoon terug.

De variatie van het missen is oneindig.
Zoals de avondzon: altijd andere kleuren.
Zoals de avondzon: vaak gaat het ongemerkt, de nacht is daar plots.
Niet zoals de avondzon: want de volgende ochtend is er geen opkomst, geen begin, het is alleen afscheid nemen, missen dat oneindig eindigt, en nooit opnieuw begint.

Het is vrijdag. Ik draag geen onderhemdje, omdat de lente eindelijk zou komen. Maar de kou is al in mijn lijf geslopen, na een slechte nacht, een moeilijk bericht, een vage gedachte, een sterk gemis. Natuurlijk vraag ik me het me af, hoe dit leven, de liefde (oh de liefde), de angsten en onzekerheden me zouden verdrieten, als dit er niet was, het oneindig gemis.

Ik eet iets warms, het helpt niet.
Ik trek een trui aan, probeer iets leuks te denken, het helpt niet.
Ik eet chocolade, ik geef het helpen op, ik geef me over.

Het is een les over het hele leven: dat het niet rechtlijnig is.
Niet aan of uit.
Alles daartussen.
In de liefde. In de dood.

En dat is gek, want het dood zijn zelf is totaal binair. Levend/dood. En dat is dan definitief.
Maar wat er blijft, na de dood, bij de levenden bedoel ik dan, dat kronkelt, dat golft, dat kabbelt, dat neemt alle vormen aan en gaat maar, gaat maar door.

Ik fietste vijf jaar geleden door een onweer naar huis. De anderhalve kilometer tussen mijn huis en zijn ziekbed, zijn magere benen, zijn vingers die altijd maar langer leken, zijn droeve ogen en zijn zuchten. Anderhalf jaar fietste ik die anderhalve kilometer heen en weer en die avond regende het, striemde het, en ik fietste daar dood alleen. De klap kwam eenmaal thuis, na een pijnlijke poging om mijn verdriet te delen: het besef dat hij altijd dood zou zijn en ik altijd alleen.

Dat is voor iedereen zo, maar eerder wist ik dat nog niet.

Na vijf jaar ben ik lid van een andere club. Niet meer de club van die jonge mensen die net hun vader of moeder hebben verloren, maar dat groepje dat veel te jong (ik was 33, hij 61) een ouder hebben verloren. Daar zit een verschil, een nuance waar ik om treur, maar ik kan er de vinger niet op leggen.


Nu is het zondag.
Het is warm, zo meteen ga ik de zon in, het park in, langs de beelden, de verhalen.
Ik zal alleen zijn, maar met de anderen.
En blij zijn dat ik me niet meer hoeft te verbazen over het missen zelf, dat het altijd anders is.

 



donderdag 18 maart 2021

Daten in coronatijd met onder andere de verspilde coronaknuffel

Plots was huidhonger geen woord meer van een aantal poëten en melancholici, maar kloeg iedereen erover. Of toch die mensen die doorgaans alleen in hun bedje kruipen, zonder een warm lijf naast zich. En in deze tijd op zoek gaan naar een warm lijf, het is niet evident. Op café iemand tegenkomen is al meer dan een jaar uitgesloten. Maar zelfs bij de bakker of de bib of welke plek dan ook waar mogelijk mooie mannen passeren is het gebod om afstand te bewaren. Je open stellen voor nieuwe ontmoetingen, hoe doe je dat met zo'n vreselijk masker op? 

Ik en mijn single-vriendjes delen hierbij enkele kernbegrippen over daten in coronatijden... 


  • wandeldate-dáte
Er was een tijd waarin het woord date was voorbehouden voor de singles. Zij die afspraakjes hadden, met amoureuze bedoelingen. Nu heeft iedereen dates. Zelfs met collega's, zelfs met de mama. Was date al een lelijk woord, dan wordt het nog erger. Een wandeldate of een wandeldate-dáte? 

  • mondmasker-styling
Het zwarte of grijze mondmasker? Dat met de bloemetjes is te frivool. Dat met die zebra's iets voor aan de schoolpoort. Neutraal wit doet me zo bleek uitkomen, niet? Of toch gewoon een medisch masker, maar welke boodschap straal ik dan eigenlijk uit? Het blauwe dan maar? Of past dat niet bij mijn jas? 
Zucht
Maar dan een bericht: hij zal wat later zijn. Mondmasker thuis vergeten. 

  • wandeldate-practicals
Naar welk park deze keer? Want met de vorige twee dates ging ik óok al wandelen in dat park. Stel je voor dat ik die tegen kom. Met hun nieuwe tinderdates...  
En wie weet is het met deze date boenk erop, en dan willen we wel een speciale plek creëren, om over twintig jaar te zeggen: weet je nog, toen in dat parkje. 

En wat doe ik aan? 
Een rok is misschien niet echt handig. Een broek, maar wet welke schoenen? Met die laarsjes ga ik uitschuiven in de modder van 2020 2021 waar maar geen einde aan lijkt te komen. Die zware dikke heerlijke wandelschoenen dan toch maar? Ik heb nieuwe schoenen nodig, van die platte botjes! 

En wat neem ik mee? Thermos thee ? Of koffie? Of langs de take-away koffie? Of nee, toch maar een glas wijn, ik heb nu al zin in een glas wijn. Fles en glazen in mijn handtas? Wordt dat niet te zwaar, kan mijn schouder dat dragen? Of een rugzak, bestaat er een elegante rugzak? 

Zucht. 

  • corona wherabouts
Vroeger, oh vroeger, moest je je pas in een latere fase van het daten zorgen maken over besmettelijke ziektes. Bovendien vrij eenvoudig op te lossen. Met Corona zit dat wel even anders. Het is een hele evenwichts- en communicatie-oefening om de whereabouts van je date te weten te komen.  Waar heeft uw tong gezeten, het is een vraag die we doorgaans niet stellen bij een eerste contact. Maar nu is het echt wel relevant. Hoeveel personen zag hij van dichtbij? En hoe streng houdt hij zich aan de regels? 

  • corona downgrading
Er is iets met die date. Iets tekort. Iets teveel. Het klopt niet helemaal, het is wat uit de haak. Maar ach, je moet toch wat. 

  • Tinder als een herinneringsfotoboek

Op Tinder en consoorten vind je nu de fotoboeken van vroeger. Je ziet mannen en vrouwen met vrienden, dicht, heel dicht bij elkaar, armen om elkaars schouders, kussen op elkaars wang, de gloed van de nacht, het zweet van dansen en drinken en ergens zijn, veel te laat, maar we gaan nog niet naar huis. 

Foto's van reizen: surfen, duiken, skiën. En starend in de verte. In een landschap, waar we allemaal mooier zijn omdat we ergens zijn. 

Het zijn allemaal foto's van meer dan een jaar geleden. De enige recente foto's zijn die van fietstochten (oh mannen, denk toch eens twee keer na voor je zo'n foto in dat onnozele pakje kiest). En selfies in de badkamer. 

We moeten het elkaar vergeven. De bleke aanschijn op onze gezichten van uren telewerk. De coronakilo's. Het spijt me van mijn dubbele kin. 


  • video speeddating
Was speeddaten al behoorlijk eng maar ook wel efficiënt, dan is videodating dat maal twee. Maar naar waar kijk je dan? De camera? Kijk je dan niet boven hem? En hoe valt het licht hier eigenlijk, en mijn achtergrond: de neutrale muur of toch maar iets laten zien van mijn huis? 

  • lekker bij jezelf zijn
Dat je maar even tijd voor jezelf moet nemen. Dat je je eigen beste vriendje moet worden en dan weer naar buiten kan. Eerst even leren thuis zijn, gewoon met jezelf, en daarna de wereld in. 
Maar die heerlijke wereld zit al een jaar op slot. Ik ben mezelf werkelijk beu gezien. 

  • de verspilde Coronaknuffel

Je moet in deze tijden uiterst selectief zijn. Gewoon een knuffel, een brave kus op het einde van een date: het is een risico. Een wissel van knuffelcontact is niet meer toegelaten. Dus pragmatisch zijn en genoeg tijd tussen twee verschillende knuffelcontacten? Maar dan blijkt die ene toch niet zo leuk, en is het een dag of twaalf kin kloppen. Een verspilde coronaknuffel. Zo jammer. 


  • quarantaine monogamie
Net wanneer ik en mijn vriendinnen het hele idee van monogamie even wilden herbekijken vanuit een moraal filosofische en ethische invalshoek, moeten we dit helemaal anders benaderen. Het virologische frame is noodgedwongen de enige manier om vandaag naar monogamie te kijken. Snel uitgepraat dan. 

  • de alles-of-niks avondklok
Gewoon de avond induiken en zien waar het eindigt? Nee, niet mogelijk. Je moet beslissen: ronden we netjes op tijd af of delen we ineens ook de hele nacht? Geen tussenweg. 



PS: ik weet het, #firstworldproblemens en al. Maar ik kan er maar beter mee lachen, nee?

A street art piece by artist Pony Wave depicts two people kissing while wearing face masks on Venice Beach in Venice, California. (Mario Tama/Getty Images)